Papoe Nieuw Guinea
Port Moresby
12 maart 2010
De verhalen over Port Moresby gaan Port Moresby ver vooruit. Al op Vanuatu wordt mij door een kerel die ik in een bar ontmoet, genaamd Steve, het ene na het andere brakke verhaal uit de doeken gedaan. Ik ben wel wat gewend maar dit klinkt wel heel extreem. Een fijn verhaal van Steve over Port Moresby:
“De veiligheidssituatie in Port Moresby is slecht, heel slecht. Om de haverklap worden mensen, auto’s maar ook hele bussen overvallen en wordt iedereen volledig leeggeroofd onder bedrijging van zwaar wapentuig. De manier waarop dit gebeurt is zeer agressief. Regelmatig worden mensen voor het gemak eerst doodgeschoten om vervolgens te kijken of ze wel iets waardevols bij zich hebben. Wat meestal niet zo is. Papoea Nieuw Guinea is arm. Niemand wil z’n geld kwijtraken. Dus mensen worden vindingrijk.
Mensen bewaren daarom hun geld op de meest intieme plekken van hun lichaam, waar zelfs de overvallers liever niet willen kijken. Vervolgens wordt het geld op de markt er weer uit getoverd om zoals geld betaamt weer snel van hand tot hand te gaan. Ik heb een vriendin die werkte met heel veel geld op een wisselkantoor. Toen ze na een inspannende dag met jeuk in haar oog thuis kwam en in de spiegel keek bleek haar hele oog ontstoken te zijn. Een week later is het eruit gehaald…”
Steve had er nog veel meer. Ik moet toegeven dat ik toch wel een beetje nerveus begon te worden over mijn verblijf in dat land. Als het geld al gevaarlijk is..
Maar ik moet erheen net als naar zoveel andere landen waar het gevaarlijk is. Dat is nou eenmaal de missie van Streets en die ga ik afmaken.
Steve brengt mij op PNG in contact met G4s, een internationaal beveilingingsbureau voor wie zijn vrouw werkt als secretaresse. Dat is dan weer mooi meegenomen. Het zoveelste contact dat ik opduikel door een drankje te gaan drinken.
Na wat over en weer gemail met mijn management Montecatini en G4s kom ik met ze overeen dat zij mijn beveiliging gaan verzorgen. Ze komen met het volgende voorstel:
- Airport pick-up
- 4 bodyguards waarvan 1 bewapend
- 2 auto’s waarvan 1 marked en 1 unmarked
- 2 keer 3 uur bewaking op vooraf bepaalde fotografie plek
- Airport drop off
Voor mijn verblijf in Port Moresby raden ze Holiday Inn aan wat het veiligste hotel is en ook het dichtst bij de drukke plekken in de stad ligt.
Vanuit Brisbane stap ik toch wel gespannen op het vliegtuig naar Moresby. We zijn met een mannetje of tien. Niet een erg populaire bestemming. Bij aankomst staat weer een andere Steve, de manager van G4s, op me te wachten met een bordje met alleen mijn initialen erop. Steve is een grote dikke blanke Zuid-Afrikaan die het vak geleerd heeft in Jo’burg maar het in Moresby relaxter vond. Dus dat is goed nieuws. Terwijl we door de straten rijden valt het me op dat het me eigenlijk op het eerste oog wel meevalt. Het is vrij schoon en rustig op straat. Ik had meer chaos verwacht. Steve legt me uit dat de nieuwe president het in zijn ogen best goed doet en dat de troep op straat tegenwoordig wordt opgeruimd.
Holiday Inn is ook een veel relaxtere tent dan ik dacht. Ik had voor vertrek wat informatie online ingewonnen over dit hotel waar ik helemaal niet blij van werd. Texten zoals ‘Worst hotel ever! Don’t go there!” of “Shots were fired at my window!” Maar er is weinig andere keus. Bij aankomst valt het enorm mee. Het is eigenlijk een van de sjiekere tenten van de laatste tijd voor mij. Overal lopen zeikerds rond, dus ook in Moresby. Dat is het mooie van je op het ergste voorbereiden.
Met Steve neem ik de planning voor de komende dagen door. We pakken allebei een pint en hij vertelt me wat sterke verhalen over het land. Maar dan wel van het soort dat waar is. Toch zegt hij dat het in principe een goed land is met heel veel potentie maar dat er een aantal grote problemen zijn die eens grondig moeten worden aangepakt. Ook hier zijn er volgens hem veel meer goede dan foute mensen. Hij hoopt dat ik dat stukje kan laten zien van zijn land.
De volgende ochtend maak ik kennis met “mijn” bodyguards. Het 5-tal. Het is er eentje meer geworden. Ze worden aangevoerd door een kleine doch stevige Papeoa gekscherend bijgenaamd “Blondy”. Blondy is de bewapende guard. Zijn 9mm draagt hij in het heuptasje wat wij kennen van het campingvolk. Het moet niet opvallen namelijk.
Met Blondy en Rudy zit ik in de eerste geblindeerde Jeep die wordt gevolgd door de G4s Jeep met de andere drie mannen erin. Die hebben alledrie een G4s pak aan maar Blondy en Rudy zijn in burger. Ik ben ook in burger.
Zo goed en zo kwaad als het kan, dit soort jongens zijn meestal niet heel creatieve denkers, leg ik de boys uit waar ik naar op zoek ben. Ze denken dat er wel een paar markten zijn waar ik misschien vind waar ik naar op zoek ben. We beginnen bij de drukste. Daarover zeggen ze vantevoren al dat we niet “te lang” kunnen blijven. Op mijn vraag hoe lang dat dan is krijg ik het antwoord: “Short”.
Het is, afgezien van Nairobi maar dat was alleen met Julius, voor mij de eerste keer dat ik werk onder deze omstandigheden. Steve heeft mij verzekerd dat ik onder geen enkele voorwaarde alleen naar dit soort markten kan. Als blanke met deze foto-apparatuur is het vragen om problemen. Zonder foto-apparatuur is het vragen om problemen. Maar met het 5-tal erbij voel ik me eigenlijk wel veilig. Uiteraard laat de hele markt alles vallen als ik kom aanlopen. Ik doe alsof dat heel normaal is en begin al snel hier en daar een praatje te maken met de verkopers van inheemse producten waaronder uit elkaar gehakte schildpadden en walibi’s, de kleine kangaroo van het pretpark.
Ik ben nog niet halverwege het standaard 3 minuten durende gesprekje wanneer Blondy me vertelt dat het beter is als we gaan! Short is echt short! Ter plekke ga ik er niet over in discussie natuurlijk maar ik merk nergens iets van agressie. In de auto legt hij me uit dat hij een aantal “oude bekenden” van een van de “syndicaten” dichterbij zag komen en dat het hem beter leek om ervandoor te gaan, voordat het 5-tal te weinig blijkt te zijn.
Zo gaat het wel snel met de markten van Moresby. Bij de volgende hebben we wel wat meer tijd garandeert Blondy mij. Dat is een vismarkt waar ik meteen tegen een dikke, dikke muur stank aanloop. Er is geen ijs om de vis te koelen waardoor de tropische hitte haar slopende werk ongestoord op de vissen, schilpadden, octopussen en zelfs een krokodil kan laten botvieren. Onder lange rijen rode parasolletjes staan de viswijven hun waar aan te prijzen. Ze komen van de outer islands ‘s-ochtends naar de stad in de hoop ‘s -avonds met wat andere goederen weer huiswaarts te keren.
Aan de relaxte houding van Blondy en zijn maten te zien, die mij in een cirkel van zo’n 5 meter in de gaten houden, is het hier een stuk beter. Daardoor hoef ik niet om me heen te kijken zodat ik me kan concentreren op fotografie. Uiteraard levert het markje bizarre foto’s op. De vrouwen vinden het dik lachen dat ik er ben en vragen zich af wat ik in Godsnaam aan het doen ben, want zo bijzonder is het natuurlijk niet.
Volgens Steve is het busstation ook een aanrader. Het 5-tal doet daar ook een beetje nerveus over maar ik wil er toch naartoe. Ik begrijp die ophef niet.
Als ik wat om me heen aan het kijken ben naar een geschikte plek hoor ik ineens een enorm geschreeuw. Er scheurt met rokende banden een jeep mijn kant op achtervolgd door 50 wilde Papoea’s! Ze komen allemaal op ons af!! Ik denk: Is het 5-tal verdomme toch niet genoeg.! Totdat de auto vol gas rakelings langs ons heen crosst en zo ook de hele meute met stokken en kapmessen en andere jeeps. Mijn God! Wat is dit?! Blondy zegt kalmpjes: “Thief steal the car”. Ik: “So what happens when they catch him?!” Zegt Blondy: “They kill him on the spot..”.
We besluiten het busstation te laten voor wat het is. De drie uur durende dag zit er alweer op en ik word teruggebracht naar mijn luxe gevangenis. Aan het zwembad tussen de Indiase en Chinese zakenlieden loop ik door de foto’s. Een goed begin. Verder is het mijn boek lezen totdat ik de volgende ochtend Blondy de hoek om zie lopen.
Zondagochtend neemt hij me mee naar de kippenmarkt. Daar is het heel relaxed volgens Blondy en hij hoopt op wat kakatoes en ander tropisch gevleugeld. Die zijn er helaas niet maar wel heel veel kippen. De kippetjes worden hier massaal in de achterbak van de auto gepropt en zo naar de markt vervoerd, een ritje wat uren duurt. Daar aangekomen worden ze uit de achterbak geplukt door hun nieuwe eigenaren bij wie ze maar een kort verbijf zullen hebben. Er zijn zelfs hele minibusjes gevuld met kippen. Er wordt ook veel betelnut verkocht, de noot waar iedereen zijn gebit op kapot kauwt met bladeren, tabak en suiker.
Na een praatje getracht te hebben om een praatje te maken, kies ik een familie tafereel uit voor een paar foto’s. Drie generaties kippenverkopers bij elkaar. Op de achtergrond maken de kippenverkopers een dolletje met me door de aarsjes van de kippetjes te laten zien. Ik heb ze er graag bij op de foto van Papoea Nieuw Guinea.
Nauru
Geen hoofdstad.
1 maart 2010
Het derde kleinste land ter wereld. Nauru is wel een heel bijzonder verhaal. Ooit was Nauru het tweede rijkste land ter wereld, per hoofd van de bevolking. Nu is Nuaru een totaal ingestort fopeilandje met 97% werkeloosheid en 50% diabetes 2. Hoe komt dat dan? Dat komt door fosfaat.
De zegening alsmede de vloek van Nauru is fosfaat. Door de geisoleerde ligging van het eiland op allerlei pacifische vogelsroutes hebben de voorbijtrekkende vogels de afgelopen miljoenen jaren hier hun vogelpoepjes op de rotsen gedeponeerd. Deze “guano” heeft zich in de afgelopen millenia vermengd met het koraal en onder druk vormt dat fosfaat. Van fosfaat maken mensen lucifers, kustmest en natuurlijk bommen. Het eilandje is maar klein, slechts 27 km2. Maar het had wel een van de grootste voorraden fosfaat ter wereld.
In het begin van de 20e eeuw vind een Duitser de eerste fosfaat op Nauru. In die tijd zijn de lokale stammetjes voornamelijk bezig met elkaar uitmoorden. Een Engelsman neemt het over maar door tussenkomst van de eerste wereldoorlog blijft het een kleine industrie. Daarna wordt er wat meer aan de weg getimmerd en begint de lokale bevolking ook in de gaten te krijgen dat er centen zijn te verdienen met dit witte poreuze gesteente. Maar weer komt er een wereldoorlog voorbij. Pas in de 60-er jaren gaat men de fosfaatwinning echt serieus aanpakken. Vooral Australie is zeer geinteresseerd want die hebben grote delen onvruchtbaar land waar ze de fosfaat goed voor kunnen gebruiken. Er wordt voor die tijd een enorme industrie opgebouwd en miljoenen tonnen fosfaat worden verscheept via de fosfaatkokers, over de lopende banden, via de kranen zo de schepen in. Het slaat grote gaten in het midden van het eiland. Een doolhof van limestone pilaren blijft achter tussen welke alle fosfaat werd weggehaald. De schade aan het milieu is enorm, zowel op het land als in de zee.
Maar Nauru wordt rijk. Heel rijk!
Wat te doen met al dat geld? Al snel wordt besloten dat niemand meer hoeft te werken. Met een bevolking van slechts 10.000 mensen hoeft dat ook niet met zoveel inkomsten. Iedere inwoner van Nauru krijgt van de regering een maandelijkse bijdrage die vrij fors is. Daarnaast wordt besloten dat er een fonds wordt opgericht waarmee grote sommen geld worden belegd om het nageslacht te kunnen blijven voorzien in de intussen uiterst luxieuze levenstijl van de Nauruanen. Let wel: alles moet geimporteerd worden dus alles is duur. Men denkt: het kan niet op in Nauru! Het gaat dertig jaar lang goed.
Maar dan is het op.
Tegen die tijd gaan de Nauruanen eens aankloppen bij de regering om te kijken wat er terecht is gekomen van dat fonds. Het blijkt dat er dertig jaar lang niet zo heel handig belegd is. Een dieptepunt was een investering van 3 miljoen pond in een toneelstuk op West End over het liefdesleven van Leanoardo DaVinci, dat volledig flopt.
Ook werden er een paar niet lopende golfbanen aageschaft, een aantal hotels op Hawaii neergezet die uiterst slecht gerund werden en nog een heel aantal andere investeringen die slecht tot niet terugbetalen. Niemand weet precies hoe het zit want het fonds is alles behalve transparant. Dat in combinatie met een hoog corruptiegehalte levert een totaal onduidelijk beeld op van wat er is gebeurd met al die fosfaatdollars. De fosfaatdollars die het hele eiland verziekt hebben.
Tegen begin negentiger jaren is het fosfaat helemaal op. Afgegraven. De Nauruaanse bevolking is al decennialang niet gewend om te werken. Maar wel om er een zeer luxe en ongezonde levensstijl op na te houden. Het eiland heeft geen enkele andere grondstoffen, geen landbouw en geen visserij meer. Het is feitelijk onbewoonbaar geworden.
Tegen de tijd dat ik op Nauru aankom heeft het eiland een zeer trieste aanblik. Er is maar een weg waarop je dezelfde, intussen brakke auto’s, dezelfde saaie rondjes ziet rijden. Vroeger reed men een auto van een jaar oud zo de zee in en kocht een nieuwe. Nu rammelen de barrels de afgetakelde huizen voorbij. Twee keer per week land er een half lege vlucht met wat zakenlieden en wat diplomaten. In het hele land is maar een bar te bekennen. In een van de twee hotels. Ik ben er geweest. Er was niemand. Het is nogal een sombere bedoeling op Nauru geworden.
De laatste twee decennia hebben de regeringen, met de handen in het haar, een aantal bizarre bokkesprongen gemaakt om het hoofd boven water te houden. Zo hebben regeringen van andere landen Nauru fors betaald om zelf als land erkend te worden. Bijvoorbeeld Taiwan. Om na een aantal jaar te horen te krijgen van weer een nieuwe regering dat Nauru Taiwan toch niet erkend als zefstandige staat. Hiervoor heeft Nauru weer een aanzienlijk bedrag van China ontvangen. Ook is een aantal jaar lang de wetgeving zo aangepast dat het uitermate interessant werd voor criminelen om hun zwarte geld te investeren in allerlei duistere zaken via Nauru. Hierdoor kwam Nauru op de zwarte lijst van het IMF terecht. Zelfs in 2009 nog erkende Nauru als een van maar vier landen ter wereld Abchazie en Zuid-Ossetie, de gebieden waar Rusland en Georgie een oorlog over voerden. Ook hiervoor is Nauru fors gecompenseerd door Rusland.
Het bizarre is dat de Nauruanen nog steeds trots zijn op hun kleine eiland. Australie heeft een aantal jaar geleden aangeboden om het eiland te kopen en de gehele bevolking zo hop in een keer te verkassen naar een soortgelijk Australisch eiland. Nauru zou vervolgens helemaal worden afgegraven op zoek naar de laatste restjes fosfaat. Praktisch het hele eiland stemde tegen. Het is typisch maar ik heb het vaker gezien. In de meest sombere landen zijn mensen toch nog steeds gehecht aan hun geboortegrond.
Bij zonsondergang loop ik langs de zee naar de stijgers waar de roestige kranen van de oude fosfaat industrie als verdrietige zwanen in zee staan. Er staat een groot bord dat de installatie op elk moment in elkaar kan storten. Dat geldt niet alleen voor die kranen, denk ik. Met gevaar voor eigen leven betreed ik de lange betonnen stijger die als een dunne klauw de diepblauwe pacific vastgrijpt.
Aan het eind staan de kranen verroest en vervaarlijk te piepen en kraken in de wind en het getij. Vogels keren terug van zee met hun laatste vangst. Er spelen wat kinderen in de branding. Verder is het stil. De ondergaande zon kleurt prachtig met de bruine knoestige kranen in de azure zee. Maar het is een triest aanblik. Want het had zo anders kunnen gaan.
Er zijn nog veel meer bizarre verhalen te vertellen over Nauru. Ik ben er vijf dagen voordat de volgende vlucht landt en een half uur later snel weer vertrekt. Vijf dagen op Nauru is lang vind ik. Er is feitelijk niets te doen. Ik huur een jeep en rij naar het midden van het eiland over een stoffige weg. Langs de fosfaatkokers en de lopende banden het binnenland in. Er liggen de resten van een verzande rails naast de weg waarop ooit de waggonetjes het fosfaat afvoerden. Het is snikheet. Langzaam begint het landschap te veranderen in een onaards doolhof van pilaren. Duizenden naast elkaar. Sommigen zijn wel 15 meter hoog. Daartussen zat het fosfaat wat nu ergens vermengd is met droge woestijngrond in Australie. Als ik verder rij kom ik de Duitser tegen die bij mij in het vliegtuig zat. Een uiterst stille kerel die vijf dagen in dezelfde kleding rondloopt en daardoor enorm stinkt. Dat weet ik want hij zit in hetzelfde hotel. Het beste hotel van de twee. Toch besluit ik om hem een ritje over het eiland aan te bieden. Het is bloedjeheet. Hij ziet er naast aangekoekt ook nogal overgekookt uit. Bovendien zit ik na drie dagen ook wel om een praatje verlegen.
Veel wordt er niet gesproken als we de afgravingen rondrijden. Soms stappen we ergens uit waar een wijds uitzicht is over het pilarenrijk. Een unheimisch landschap waar niets meer mee te beginnen valt. We komen langs een krater die gevuld is met wegroestende graafmachines die kriskras door elkaar liggen geslingerd als afgedankte speeltjes van een opgegroeid reuzenkind. Ook verlaten na de laatste restjes “wit goud”.
Natuurlijk is het lastig om een typische foto te maken van deze lege dofheid. Een ongezond volk met een nog ongezondere toekomst. Maar Nauru heeft nog een laatste kans..!
Want er is een zogenaamde “secondary layer” fosfaat ondekt. Veel moeilijker te bereiken dan vroeger maar met de juiste aanpak en machines moeten ze erbij kunnen. Het zou weleens net de redding kunnen zijn van dit voor overig ten dode opgeschreven land. De Nauruanen hebben intussen ook wel begrepen dat het dit keer anders moet. Ik praat wat met mensen hier en daar en het blijkt dat ze allemaal willen dat het nu echt anders gaat. De potentiele voorraden zijn nog steeds enorm. Daarom hebben de eilandbewoners gekozen voor jongere en idealistischere politici. Met hulp van Australische financial controlers beginnen ze binnekort aan de “Secondary Mining”. Een tweede en meteen laatste kans voor Nauru? Geleerd van eerder gemaakte fouten? Het lijkt mij zeer moeilijk om de lokale mentaliteit te veranderen. Maar wie weet lukt het ze. Om hun kleine eiland te redden.
Tuvalu, Funafuti
10 november 2009
Een atol is een ophoping van koraal op de rand van een oervulkaan. Daar is Darwin achtergekomen. Daarom zijn het van nature eilandjes die samen een ringachtige vorm hebben. Aangezien koraal onder water leeft steken atollen nooit ver boven zeeniveau uit, waar andere sedimenten zich hebben vastgezet maar ook weer makkelijk wegwaaien. Dat is meteen het meest bedreigende probleem van Tuvalu anno 2009. De stijgende zeespiegel dreigt als eerste het minilandje Tuvalu van de kaart spoelen.
Hoe klein het eilandje is waar ik op land zie je goed vanuit de lucht. Door het vliegtuigraampje zie je dat het hoofdeiland eigenlijk voornamelijk bestaat uit de landingsbaan die over de ruggengraat van het eiland loopt. Naast de landingsbaan zijn er aan beide kanten strips van gras van een meter of 5 breed. Daarnaast staan de simpele huisjes van de bewoners van Funafuti, de hoofdstad van Tuvalu.
Ik heb me een beetje voorbereid en al begrepen dat dezelfde landingsbaan een grotere functie heeft dan het thuisbrengen en weghalen van familieleden. Er zijn een drietal andere geasfalteerde straatjes in de hoofdstad waarvan er eentje vrijwel de hele lengte van het eiland haalt. Maar de landingsbaan is zonder twijfel de slagader van Tuvalu.
Zowel door haar functie als link met de buitenwereld als door haar sociale functie die ze op zich neemt vanaf het moment dat de wielen van het vliegtuig de grond verlaten, tot aan het moment dat ze er 3 dagen later weer op neerdalen. In de tussentijd is de landingsbaan namelijk van de eilandbewoners.
Aangezien de landingsbaan over zo’n beetje heel het eiland loopt is het onmogelijk voor de bewoners om er omheen te rijden telkens als ze voor een klusje aan de overkant moeten zijn. Er wonen maar zo’n 4000 mensen op het hoofdeiland maar die moeten toch weleens naar de andere kant. Dat controle daarop onnodig en onhaalbaar is begrijpt iedereen, bovendien is het algemeen bekend wanneer het volgende vliegtuig landt. De roodfonkelende, gedoneerde brandweerwagen geeft daarnaast drie keer een sirenesein om de komst en de uiteindelijke landing van het vliegtuigje aan te kondigen. In de tussentijd kunnen de bewoners op eigen houtje in de breedte de baan oversteken naar eigen goeddunken. Dat op zich is al vrij uniek voor de landingsbaan van de hoofdstad van een land.
Maar dat is pas het begin.
Wanneer de zon haar vurige krachten verliest aan het einde van de tropische dagen ontwaakt de bevolking uit haar dagelijkse zomerslaap. Langzaam maar zeker zwellen stemmen aan en hoor je beweging op gang komen. Het begint met de kinderstemmetjes. De kindjes betreden als eerste het gras naast de baan en beginnen aan hun dagelijkse fanatieke balspelen. Er zijn natuurlijk verschillende groepjes gebaseerd op leeftijd. Al snel is de landingsbaan verworden tot een gymzaalvloer vol rondstuiterende ballen. Naarmate de lucht oranje kleurt komen ook de volwassenen de baan op. Er worden teams gemaakt en al snel beginnen ze aan hun lokale variant op cricket. De grasbaan naast het asfalt is hiervoor ideaal. Het zijn nu allang niet alleen kinderen meer op de landingsbaan. Iets verderop begint een groep jongens aan de rugbytraining inclusief volledige warming up en tactische oefeningen. Gevolgd door een vrij ruw oefenwedstrijdje op het harde maar snelle asvalt. Hier en daar schrikt een hond weg voor een aanschietende bal of valt een fietsje om dat geraakt wordt, met een tranendal van het bestuurdertje als gevolg. Dikkige vrouwen kuieren in kleurige gewaden over de witte strepen die het midden van de baan voor de piloten aangeven. Hun blote voeten op de zwarte sporen van het verbrande landingsrubber. Ze lopen helemaal naar het eind, of naar het begin van de baan. Dat hangt af van de windrichting.
Want daar zijn met behulp van oude truckbanden waarin ijzeren palen gemonteerd zijn, volleybalnetten opgezet. Een net voor een vrouwelijk en een net voor een mannelijk spel. Daarachter waar eigenlijk de baan nog niet is begonnen is een groot stuk gras waar ook weer een rugbytraining gaande is. Er crossen wat kinderen op een skelter tussen de netten door achtervolgd door roedels jankende eilandhonden met heen en weer slingerende hangtieten. Ik zie ook een ontsnapt zwijn dat achtervolgd wordt door de onoplettende baas.
Als je vanaf die kant de hele baan afkijkt rond een uur of half zes aanschouw je iets dat eigenlijk het meest doet denken aan de activiteit op het sportveld van een gemiddelde Nederlandse gemeente op een zomerse woensdagmiddag. Op de landingsbaan van de hoofdstad van Tuvalu.
Met een lopende videocamera ren ik van de “zeekant” van het hoofdeiland naar de ‘lagoonkant”. In een rechte lijn kan het niet want dan rent er ineens een witneus door de woonkamers van de open hutten met alle hysterie van de zichzelf en hun kinderen wassende vrouwen tijdens de avondwasbeurt. Er zitten een paar hoeken in het traject. Na een kort intro van een minuut ren ik er twee minuten over van zee tot zee.
Tuvalu is een hechte gemeenschap. Dat zie je op de landingsbaan. Ze maken zich zorgen over het ernstige geweld dat de reuzen om hen heen het klimaat aandoen. Zelf produceren ze nul CO2. Maar de prijs die de rest van de wereld kost zal door hun als eerste betaald moeten worden.
Samoa, Apia
22 oktober 2009
Samoa stond gewoon op het lijstje als een van de tropische eilandjes in de Pacific waar ik een kijkje zou gaan nemen. In Australie hoorde ik pas over de tsunami. Weer een tsunami? De schade aan het kleine eiland blijkt groot. Er zijn veel mensen omgekomen. De planning zat eigenlijk anders in elkaar maar ik wil er zo snel mogelijk heen. Het is misschien een beetje raar maar ik heb toch dat journalisitieke in me wat me naar dat soort plekken toezuigt. Plekken die anderen juist mijden. Op Fiji, waar ik een tussenstop heb, ontmoet ik veel mensen die hun trip hebben aangepast en Samoa niet meer gaan bezoeken. Dat is meteen de schade aan het toerisme.
Ik gooi mijn schema om en kom op 22 oktober aan op Samoa. Ik verwacht ellende.
Als ik aan de chauf vraag hoe het gaat in Samoa zegt hij: It’s fine!
Dus ik zeg: : “But what about tsunami?” Hij zegt: “Yes, that is very bad….. but only one side of island, rest O.K.”
Het lastige voor mij in zo’n situatie is dat ik eigenlijk meteen naar dat gebied wil maar eerst natuurlijk de straatfoto moet maken, want daar kom ik in eerste instantie voor.
Wat ik me afvraag is of er in het straatbeeld van de hoofdstad Apia iets te zien is van het drama dat zich aan de zuidkust heeft afgespeeld. Ik stel me voor dat het een komen en gaan is van Internationale Organistaties, NGO’s, kerken, zeker hier, en de overheid die allemaal aan het helpen zijn en opereren vanuit Apia.
Ik zie er niet een.
Dat is natuurlijk opvallend. Door gesprekken met taxichauffeurs, hotelmanagers en voorbijgangers lijkt dat het leven in Apia wel een dreun heeft gekregen maar een maand later hebben de mensen de draad allang opgepakt. Ik moet uitkijken want mijn Hollandse directheid wordt niet overal gewaardeerd. Niet iedereen loopt met z’n hart op de tong. Na wat langer doorvragen blijkt dat weldegelijk menigeen zijn zorgen uitspreekt over wat er is gebeurd, hoe het nu gaat en waarom vooral de regering zo inadequaat handelt.
Ik ben zeer benieuwd naar wat hier allemaal aan de hand is. Ik maak de straatfoto van een rustig straattafereel in Apia.
’s Avonds zit ik in een restaurantje waar naast mij een meisje, Martina, aan het schrijven is. We raken aan de praat en het blijkt dat ze Engelse is, rondreist en hier al een paar dagen vrijwilligerswerk doet voor het Samoaanse Rode Kruis.
Ik praat lang met haar over hoe het gaat en wat ze allemaal is tegengekomen. Ze nodigt me uit om de volgende dag mee te gaan.
We verzamelen om 6 uur ’s ochtend bij het kantoortje van het Rode Kruis. Binnen ontmoet ik Martina weer en een paar andere vrijwilligers, voornamelijk Samoaans maar ook een paar blanken. Rond een uurtje of half 7 begint het zacht licht te worden en stappen we allemaal in de achterbak van een vrachtwagen. Er worden hesjes uitgedeeld en ik ben een Rode Kruis vrijwilliger. Terwijl de zon de lucht alle tinten die rood kan hebben kleurt, vertrekken we langs de kustweg omhoog naar de bergen. Samoa is een schitterend eiland. Woeste donkerblauwe golven slaan kapot op rotsen bekeken door vochtige palmbomen in turquoise lagunes. De bloemen vechten aan de bomen met de ochtendlucht voor de mooiste schakeringen in roze terwijl wij elkaar beter leren kennen met een zoute zeewind door ons haar. In de achterbak roepen we tegen elkaar waar we vandaan komen en wie we zijn. We steken de bergketen over die midden over het eiland loopt. Het wordt een beetje kouder. Het uitzicht wordt nog veel wijdser. Samoa is mooi.
Je hebt het niet echt in de gaten todat je er al inrijdt. Ineens verdwijnt het groen en wordt alles bruin. Grijs. Kapot. De vrolijke, open huisjes liggen door elkaar heen gestrooid als puzzelstukjes in een kinderkamer. Want zo zijn wij voor de zee.
Na de aanvankelijke sobere gezelligheid is het plotseling ernst in de achterbak.
We zijn onder de indruk van de ingestorte huizen, de uitgedroogde aarde daar waar groen gras stond en de verdorde bomen van elk tropisch blad die het zeewater niet konden verdragen. Niemand spreekt terwijl het vrachtwagentje ons verder voert. Naar ondergelopen vlaktes waar in elkaar gebeukte auto’s in doodse bomen hangen, uitgestrekte velden van afval met een huiselijk verleden.
Stank. Hitte. De zachte zee kabbelt op de achtergrond en lonkt. Ze belooft koele verfrissing. Maar het is een bittere verfrissing. Vele mensen zijn niet meer gevonden in de golven. Hier en daar scharrelt iemand rond door de ravage. Op zoek naar wat ooit stond op een kastje, een boek dat lag naast een kussen, een brief, een verschoten foto van lang vergane familieleden. Herinneringen aan een leven. Een samenzijn. Een bestaan. Alleen de fundamenten van een ooit hecht dorpsleven zijn nog herkenbaar in een woestenij van dikkige modder met een gesprongen hard laagje erop, onherkenbare troep, rottende huisdieren. Vissen. Kilometers lang.
Wij hebben geluk want we zijn aan de late kant. De benen en armen van 150 mensen zijn al uit de puinhopen getrokken en beweend in onze afwezigheid. Wij horen bij het stadium van opnieuw beginnen. Opbouwen. Vanaf de grond, vanuit het puin. Waar begin je? Ik heb geen enkel verstand van hoe het werkt om in zo’n ravage een begin aan herstel te forceren. De mensen van het Rode Kruis gelukkig wel.
Hoe gaat dat vrijwilligerwerk? Het begint met het vaststellen van een Basecamp van waaruit alle operaties worden georganiseerd en uitgevoerd. Via portofoons hebben de verschillende teams contact met elkaar. De binnengekomen hulpgoederen liggen daar ook opgeslagen. Er zou een getrainde manager moeten zijn maar die is er voor zover ik merk niet. Er is wel een timmerman uit Canada die voor het Internationale Rode Kruis werkt en blijkbaar regelt hij de zaken. Maar hij is zelf meestal ook ergens aan het werk.
De vrijwilligers, zowel Samoaanse als buitenlanders, worden ingedeeld in verschillende groepjes. Wij zijn in totaal met zo’n twintig man. Dat is bizar weinig als we zien hoe uitgestrekt het getroffen gebied is. Het is de bedoeling dat we watertanks gaan plaatsen. Daar moeten eerst betonnen bases voor gestort worden wat een nogal professioneel werkje is waardoor je veelal staat te wachten. Er moeten wat planken heen en weer gezeuld worden. Dan is het alweer lunchtijd en terug naar het Basecamp. Ik begrijp intussen van een aantal mensen die al tijd langer meewerken dat ze toch wel een beetje gefrustreerd raken over de trage progressie. Er moet enorm veel gebeuren maar de mensen, middelen en tijd worden heel inefficient gebruikt. Na de lunch breekt weer een periode aan van wachten op wie weet wat en ik besluit door het gebied te gaan lopen om te fotograferen. Waarschijnlijk hebben mensen daar meer aan dan aan mijn klusvaardigheden en zeker aan mijn staan wachten op wie weet wat.
Ik struin door de rommel van de verdwenen dorpjes en maak praatjes met de weinige mensen die er nog zijn. Meestal korte praatjes waarin je vooral vraagt hoe het met ze gaat en of ze geholpen worden. Ze vinden dat fijn. Dit was een toeristisch gebied waardoor mensen niet opkijken van een blanke en redelijk goed engels spreken. Ik voel me overal welkom en na een praatje mag ik foto’s maken van hun ellende. Samoanen zijn toch wel bijzonder want ondanks alle ellende blijven ze toch lachen en grappen maken. Natuurlijk zit daar enorm veel ellende achter maar ik heb ook wel andere reacties gezien op moeilijke tijden. Dat verlicht toch een beetje. Ik vind het knap.
Als ik aan het einde van de dag terugkom hoor ik dat de rest de hele middag geen zak gedaan heeft. Dat schiet natuurlijk totaal niet op. Vooral de blanken vinden dat alles slecht geregeld is. Ik vind dat ook. Ik kom er steeds meer achter dat er wel meer aan de hand is betreffende de hulp die er hier zou moeten zijn. Er zijn verhalen over verdwijnende fondsen en zelfs over verdwenen containers uit de haven. Maar het meest opvallend is nog wel de totale afwezigheid van de overheid. In de drie dagen dat ik er ben zie ik niet een keer een duidelijk actie van de Samoaanse regering. Die zijn blijkbaar al een maand hun strategie aan het bepalen terwijl er intussen 1000 basic dingen geregeld moeten en ook kunnen worden, zoals onderdak, water en sanitaire voorzieningen. Bizar. Ook andere hulporganisaties zijn er niet of nauwelijks te bekennen. Dat betekent dat het inefficiente zooitje dat wij zijn eigenlijk de best vertegenwoordigde NGO is. Twintig man waarvan driekwart staat te wachten. Ik kan maar niet bevatten dat het zo slecht geregeld wordt! De volgende dag help ik eerst weer mee met zo’n tank en met wat andere dingen die we met z’n zessen doen maar waarvoor drie man ook genoeg was geweest. Daarna ga ik weer fotograferen. Intussen ontstaat er wel een indrukwekkende serie over hoe het er is, een maand na dato.
Die avond ontmoet ik een Samoaan die uit hetzelfde getroffen dorpje komt als de premier. De afgelopen tien jaar heeft hij in Australie gewoond. Hij zegt dat de premier vijf minuten heeft rondgereden, niet is uitgestapt en de verzamelde pers ook niet te woord heeft gestaan. Ze waren klasgenootjes. Hij kan het niet geloven. Wat hij ook niet kan geloven is dat hij zijn Australische bedrijf zover heeft gekregen om een miljoen Australische dollars over te maken aan nota bene het Samoaanse Rode Kruis. Dat geld is kwijt. Hij is het geld achterna gereisd en het is verdwenen. Verdampt. Niemand weet waar het heen is. Hij is furieus. Hij is drie familieleden verloren.
Na nog een dag fotografie in het rampgebied moet ik door en is mijn tsunamiserie af. Ik probeer hem geplaatst te krijgen in de Volkskrant. Helaas lukt dat niet. Niet meer actueel. En wie kent nou Samoa?
4 februari 2010
’s Ochtends wordt er zacht op de deur van mijn strandhutje geklopt. Even weet ik niet waar dat is, maar al snel schiet het me te binnen. Met een glimlach neem ik het dienblad in ontvangst. De geur van gebakken eitjes met spek waait me tegemoet op een zachte zeebries. Het uizicht zie ik voor het eerst want ik ben om half twee ’s nachts geland. Adembenemend.
In het gehuurde jeepje met het stuur aan de rechterkant rij ik op de rechterbaan over een slingerend eilandweggetje. De ramen staan open, een muziekje aan, het tropisch groen met gele en roze spikkeltjes. Op weg naar de hoofdstad van dit prachtige eiland. Het is de kleinste hoofstad ter wereld denk ik. Er wonen maar 300 mensen.
Het einde van de weg is ook echt het einde van de weg in dit hoofdstadje. Ik stap uit bij de kade waar een azure zee zacht tegenaan kabbelt. Een van de vissers vraagt of het ook eens wil proberen en al snel hangt er een spartelend sardientje aan de haak. Ze nodigen me uit voor de lunch waarbij de zojuist gevangen visjes met een citroen en knoflook sapje rauw verorberd worden. Lekker.
We praten over dit vreemde hoofdstadje en ik weet nu waarom het zo is. Dat ga ik delen met de mensen die het willen weten. We nemen afscheid. Misschien zien we elkaar nog. Zaterdag gaan ze op schildpaddenjacht en ik mag mee. Zo was mijn eerste dag op Palau.
’s Avonds ontvang ik het bericht waar ik al een tijd tegenop zie. Iemand van wie ik veel hou is ernstig ziek. De komende vijf jaar ben ik zelden thuis. Ik reis de hele wereld rond. Ik maak foto’s van het straatleven in alle hoofdsteden. Ik. Vandaag was een fantastische dag.
Rwanda, Kigali
4-12-2006
Een vriendelijke taxichauffeur, een Hutu of een Tutsi, rijdt me door de kleiige rode straten van Kigali. Het is zondag. Er zijn weinig mensen op straat. Uit het raampje van het vliegtuig kijkend naar de ontelbare witte, grijze en soms blauwe daken op de groene deken van Afrika, schieten de beelden van 12 jaar geleden door mijn hoofd. Miniatuur auto’tjes rijden over de kloppende aders richting hun bestemming met vastgesjorde lading achterop, in de gaten gehouden door de altijd aanwezige 2 a 3 sjouwers in de laadbak.
In een absurde gedachte verwacht je lijken op straat en dronken, ronddolende Interahamwe milities die de straten nog steeds onveilig maken met met hun machetes op zoek naar nog meer verkrachting, verminking en moord.
Het is enkel de kortstondige realiteit van mijn gedachten. Mijn chauffeur vraagt in zacht Frans waar ik vandaan kom en hoe lang ik blijf. Uit het linkerraam zie ik een blauwe lucht met donzige lage wolken. Valken snijden sereen op de termiek boven de stad. Uit het rechterraam komen zware grijze regenbuien aandrijven over een paar van de duizend heuvels die Kigali omringen.
Een paar weken eerder ben ik in Brussel voor mijn visum. Uit de hele rij taxi’s voor mijn hotel stap ik uitgerekend bij Ladislas in de taxi. Een Rwandees van begin 30. Ik probeer hem in mijn roestige Frans uit te leggen dat ik naar de Avenue des Fleurs moet waar de Rwandese Ambassade resideert. Hij zegt:” You want to go to my Embassy!” Ladislas brengt me waar ik zijn moet. En de twee dagen daarna ook, het blijkt een lastig visum. Inmiddels heb ik me verdiept in de recente geschiedenis van Rwanda en ik vraag hem zijn mening.
Ladislas vertelt;
“Iedereen denkt altijd dat de Hutu’s verschrikkelijk zijn. Maar er is nog een hele voorgeschiedenis. Tegenwoordig heerst de Tutsi minderheid over de Hutu meerderheid. Hutu’s verdwijnen in de gevangenis en niemand hoort ooit nog van ze! Hutu’s worden vermoord in de gevangenissen en geen haan die er naar kraait. Daarom heb ik gedemonstreerd toen president Kagame in Brussel was. Hij is een slechte man. Een moordenaar! En nu gooit hij alle Fransen eruit. Mijn land gaat eraan. Het is een schande!”
Terug in Kigali vind ik een bar waar het gezellig is en waar ik de enige blanke ben. Het is een tent in de deftige buurt dus de Rwandezen zijn automatisch ook deftig en spreken frans en engels. Ik wil er zolangzamerhand toch het mijne van weten, ook al heeft Ladislas me afgeraden om over politiek te praten in Rwanda. Na 2 dubbele whisky’s stap ik op de grootste Rwandees in de tent af en begin een gesprek. Zijn naam is Aimable.
Aimable vertelt:
Ik vraag hoe het nu gaat in Rwanda. Volgens Aimable is alles ok. Het aantwoord op mijn vraag of er een beetje gelijkheid is in Kigali wordt volmondig bevestigd. Iedereen is gelijk blijkbaar..
Als ik hem vertel over Ladislas in Belgie antwoordt hij kil: “Thats why all the cowardous Hutu murderers are hiding in Belgium”.
Ik ben hier maar 3 dagen en ga nooit begrijpen tot in hoeverre dit nog leeft en ooit opgelost gaat worden. Maar dronken mensen en kinderen spreken de waarheid..
Ik ben bang dat Rwanda er nog lang niet is. Dat is wel te begrijpen. Ik kijk ook nog steeds met een scheef oog naar Duitsers. Dat was intussen 60 jaar geleden. En ik was er niet eens bij.
Libanon, Beirut
16 december 2006
De veelzijdigheid van Beirut slaat alles. Dat slaat op alle ellende van deze stad maar ook op een mystiek die voor Westerlingen als wij maar moeilijk te bevatten is. Ik ben hier niet alleen heen gekomen maar samen met Wouter, mijn broertje. Een opluchting voor mij na alle reizen alleen van de laatste tijd. Zeker zo net voor kerst. Hij is mijn broer maar ook een dikke maat. Wout heeft wat gelazer met zijn studie Politicologie de laatste tijd en bovendien is het net uit met zijn vriendinnetje dus hij liep even vast. Een uitgesproken gelegenheid om hem eens mee te nemen naar een van de minder gezellige landen van het Midden-Oosten. Goed voor de relativering meende ik. Dat blijkt ook zo te zijn.
Ik ben wel wat gewend maar ook voor mij komt Beirut het dichts bij daadwerkelijke oorlog. Een klein half jaar terug regende het hier geen Mediterrane druppels maar Israelische bommen met Joodse kindertekeningetjes erop. Jaja, zo betrekken we de volgende generatie ook weer rustig bij een intussen al generaties oud conflict. Het is een goed voorbereide trip en dat komt vooral door Wout. Ik heb hem voor vertrek op het hart gedrukt dat hij aan mij niks heeft want ik ben alleen maar aan het fotograferen en dat is nou eenmaal een solitaire bezigheid. Dus hij moest z’n eigen netwerk afspeuren en daar zoveel mogelijk afspraken uit zien te slepen.
Tot mijn verbazing heeft hij dat heel grondig aangepakt en hebben we ineens een vrij druk programma in een stad waar je het toch al druk hebt door alleen al het constant je ogen uitkijken. In sommige wijken weet je niet eens meer uit welke oorlog de schade stamt laat staan wie het heeft veroorzaakt. Drusen, Christenen, Shi’iten of Soenieten, ze hebben allemaal erg hun best gedaan om deze stad volledig in puin te leggen.
De laatste vernietigende slag kwam echter van buiten de landsgrenzen. Israel heeft Hezbollah een lesje geleerd. Naast de vele omzwervingen die wij samen door deze stad maken blijft vooral deze dag, 16 december mij bij. De gebeurtenissen geven de bizarre contrasten van deze stad wel heel goed weer.
Na een interessante avond bij een familie die ik heb leren kennen via Ingrid, een oud klasgenootje van de Fotoacademie, die hier ook was, werd ons verzekerd dat we konden gaan kijken in Harm Heikh de desbetreffende gebombardeerde Shi’itische wijk. Aangezien de Nederlandse ambassade een gang naar Libanon toch al afraadde en al helemaal de buurten waar de Shi’iten samenscholen om te protesteren, leek de Shi’tische wijk ons wel overdacht niet zo’n goed idee. Maar dat blijkt dus prima te kunnen. We zijn na een paar dagen wel een beetje gewend geraakt aan de constante aanwezigheid van gewapende legereenheden, tanks in de straten en rollen prikkeldraad die het zo gezellig maken in wat heet Downtown. Zo gezegd zo gedaan.
Maar waar begin je eigenlijk aan. Natuurlijk, ik ben journalist dus ik wil verkennen. Maar als je met je blonde broertje de Shi’itsche wijk in Beirut binnenwandelt draaien de blikken wel heel snel jouw kant op. Het blijft lastig om doelgericht door te lopen en mensen zonder een grijntje nervositeit gedag te knikken. Dat lukt dus ook maar half. De straatjes naar de wijk loodsen ons langs ontelbare auto-onderdelen winkeltjes. Per merk gesorteerd en bestiert door oliedoordrenkte Shi’iten. Apart dat ze wel weer handelen in onderdelen van niet de minste Westerse merken. Maar dat loopt wel vaker door elkaar. Hoe dan ook denken wij ons naar het juiste gebied te begeven maar het begint nergens. Als je als amateur denkt aan een bombardement dan denk je aan een begin ervan met een beetje verwoeste huizen wat dan steeds erger wordt. In de hitte van het middaguur in het kabaal van de Oosterse handenarbeid lijken wij totaal verkeerd te zitten. Totdat we door een steegje een glimp van een open vlakte opvangen. Een vlakte zonder eind lijkt het. Een gelig licht schijnt ons tegemoet. Het nauwe steegje door openbaart zich voor onze ogen het maanlandschap dat ooit een hele wijk was. De preciesie van de moderne lasergeleide oorlogsvoering wordt ons direct duidelijk. Het is per straat gegaan. Geopolitiek op z’n extreemst. Alleen de Shi’iten, alleen Hezbollah die de wijk volledig in handen heeft. Geen bom op de naast gelegen Soenitische wijk want dat roept weer hele andere woede op. We staan als aan de grond genageld en kijken alleen maar naar de verwoesting. Dat dit in onze tijd gebeurd is. We wisten het wel. Televisie. Maar als je er zelf staat is het zooo anders. Zo beangstigend. Hier hebben mensen bommen op andere mensen gegooid. En dit is het resultaat. Een woestijn van brokstukken huis en familie. Verwrongen staal met vogelverschrikkers aan kleding en gordijn. Het is er stil want de families hebben hun onderkomen ergens anders gezocht. Ergens klinkt geluid van slopen voor de wederopbouw. Als de eerste stomheid van ons afglijdt lopen we een stukje door het hol van de leeuw in. Ineens maak je wel heel erg deel uit van je eigen geschiedenis.
Langzaam begin ik wat te fotograferen. Ik weet niet eens waar ik moet beginnen. Wouter loopt een stukje de andere kant op met z’n eigen gedachten. Dit hadden we beide niet verwacht. Gedacht maar niet verwacht. Voor me tref ik een gebouw als een manke schouder, opengereten als een blik oude vis. Eruit hangt op verschillende verdiepingen een halve huisraad van wat ooit iemands woonkamer was, waar gelachen is en gehuild. Een lamp hang nog steeds aan z’n stekker op de rand van het afgeslagen beton. Perzische tapijten wapperen in de wind, de andere helft nog binnen. Op de grond voor mijn voeten ligt een half opengeslagen Arabisch boek. Is het een Koran? De wind wappert de bladeren over en weer. Ik vind het een typerend beeld met de halve kies op de achtergrond. Ik ga op stoffige grond zitten om de goede compositie te krijgen en maak een paar foto’s.
Ik hoorde niets maar zag de schaduw ineens naast mij. Ik draai mijn hoofd om en naast mij staat een kerel in een zwart pak met een soort etui aan zijn been. Ongetwijfeld een wapen. Hij heeft een strakke kop en een dwingende blik. Een baard. Ik sta op en zeg hem gedag. Hij knikt terug en stelt me een vraag in het Arabisch. Ik vertel hem in het Engels dat ik geen Arabisch spreek. Hij duidt mij hem te volgen. Ok, dat gaat even de verkeerde kant op hier. Intussen heeft Wouter ook in de gaten dat er iets aan de hand is en komt op ons afgelopen. De man vraagt in gebroken Engels wie hij is. Ik antwoord hem dat hij de schrijver van het stuk is. Het pokerspel is begonnen. Wout vraagt wat er aan de hand is en ik zeg dat ik het ook niet weet maar dat we mee moeten komen. We volgen de Hezbollah agent naar iets wat lijkt op de officiele ingang van het gebied. Misschien hadden we beter hier naar binnen kunnen gaan. Beetje laat nu. Hij vraagt ons daar even te wachten. Terwijl hij in een walkie talkie in het Arabisch begint te overleggen over wat met ons te doen bemerken wij tot onze verbazing een soort tentoonstelling die er is ingericht. Er hangen spotprenten over de Israeli, de Amerikanen en de Arabieren. Allemaal een pot nat volgens de samenstellers van deze tentoonstelling. Ook de VN komt er slecht vanaf. Hezbollah speelt een heldenrol in de bevrijding van Libanon en Palestina, die blijkbaar nabij is. Intussen is de zwart geklede man uitgepraat, draagt ons over aan een andere kerel met een leren jekkie aan, en verdwijnt weer tussen de puinhopen.
Weer moeten we volgen. Ik voel me hier totaal niet prettig bij want ik heb geen enkele controle over wat er gaat gebeuren. Bovendien heb ik m’n broertje ook nog eens in deze situatie gebracht. Lekker handig sukkel! We worden een vervallen gebouw ingeloodsd waar een krakkemikkig liftje ons naar een bovenliggende etage moet brengen. Het liftje is benauwd klein en komt piepend en steunend op gang. We staan als broers tegen deze tevens bewapende gast aan die ons weet ik waar naartoe gaat brengen. Achter zijn rug wissel ik een blik met Wout. Ik knik hem het komt wel goed.
Doemscenario's schieten door mijn hoofd. Boven aangekomen een zak over je kop en op je knieen. Pistool op je voorhoofd. Foto in de krant. Rukker dat je jezelf en je broertje in deze situatie hebt gebracht!! Maar het kon toch?! Dat was ons toch vertelt. Wat is dit hier?!
Op wat lijkt de vierde verdieping aangekomen knarst de deur open. We kijken een stoffig kantoortje in. Geen zakken over ons hoofd. Een zucht van verlichting trekt door mijn gespannen lijf. We worden gevraagd te gaan zitten op een versleten bank in een warmig kamertje. Cool blijven. Het blijft natuurlijk zeer unheimisch maar we beredeneren dat als het echt was misgegaan het nu al wel gebeurd zou zijn. We praten elkaar een beetje moed in door het erover eens te woorden dat Hezbollah allang weet dat je niet moet kutten met blanke journalisten, die moet je juist voor je winnen. Zo denken we een kwartier vol.
Een mooie vrouw komt het kamertje binnen. Mooi, maar haar ogen zijn gehouwen uit het koudste ijs, Haar geen hand geven natuurlijk. Ze vraagt wat we hier doen. Ik leg uit dat ik aan een ander project aan het werk ben maar dat ik als fotojournalist en mijn broer als schrijver natuurlijk wel met eigen ogen wilde zien hoe de heropbouw werkzaamheden van Hezbollah verliepen. Dat is ook een verhaal dat vertelt mag worden als alle camera’s van de wereld weer op een andere oorlog zijn gericht en niemand er meer om maalt wat er met Harm Heikh gebeurt. Ze veinst positieve interesse maar vind het zeer merkwaardig dat ik geen perskaart of permit kan vertonen. Is het ook. Ik leg haar nogmaals uit dat ik op eigen initiatief hierheen ben gekomen, als free-lancer. Dat er geen permit nodig is. Maar dat als er een permit nodig is ik die graag ga halen. Ze zegt dat die nodig is en dat ik die bij het Ministerie van Informatie kan krijgen. Tot die tijd zijn we niet welkom. We kunnen gaan.
Opgeluchter dan ooit lopen we de trappen af en ineens staan we weer buiten. Vrij om er per direct vandoor te gaan. We springen in de eerste taxi die ons zonder afdingen zo ver mogelijk wegbrengt. Na een paar diepe zuchten en vloeken van verbazing kijken we elkaar aan en beseffen we dat we ineens toch wel heel dicht bij het vuur zijn gekomen.
Nog nauwelijks bekomen van deze gebeurtenis is het ’s avonds al snel tijd voor een afpsraakje met twee Libanese dames die we via via eerder die week hebben ontmoet. Ze willen ons het uitgaansleven van Beirut laten zien. Beide zijn we zeer toe aan een koude pint na deze heetgebakerde middag. Al snel lopen we met twee mooie Libanese dames door de Christelijke wijk waar het partytime troef is. Dit is het mekka van de partypeople in het Midden-Oosten en hoewel menigmaal platgebombardeerd is Beirut ergens nog steeds het lokale Parijs. Hier mag alles. Hier vloeit de champagne rijkelijk en rijden de Ferrari’s en Hummers met hun veelal Arabische eigenaren in collone door de straat. Ze overtreffen elkaar met stevige R&B beats, dingend naar de gunsten van de schaars geklede en lonkende bloedmooie vrouwen. Maar… ik was vanmiddag toch nog..? Daar.